|
"Het kunstwerk moet een relatie hebben met het landschap en de bewoners uit de streek." Dus hebben we gesprekken gevoerd met vier bewoners uit de grensstreek, twee uit Duitsland, twee uit Nederland. Wij hebben ervoor gekozen een eigen weergave te geven van onze gesprekken met de streek- bewoners. Subjectief en persoonlijk, want het gaat ons vooral om de sfeer van het gesprek en de beleving van de geïnterviewde. Rika Szameitat, Horst Heinrich Bechtluft, Riekie Schepers-Tholen en alle anderen die de tijd hebben gevonden ons te woord te staan: hartelijk dank! |
![]() De landstreek rond de grens tussen Twist-Bült en Nieuw-Schoonebeek lijkt een heel gewoon gebied. Niks bijzonders, een streek zoals er nog duizenden zijn. Maar zodra je er dieper induikt en her en der vraagt naar wat er ooit gebeurt is en wat verschillende mensen er persoonlijk hebben meegemaakt, dan is de informatie overdadig, complex en omvangrijk. Ineens is het teveel om op te noemen, teveel om te verwerken, teveel om woordelijk weer te geven. En daarna stel je jezelf de vraag of die feiten eigenlijk wel zo belangrijk zijn? Aa's, olie, gas en ijzeroer Woensdag 11 juni 2003 - 15.00 We zijn laat. Papieren zoek en in het 'gründliche’ Duitsland moet je die volgens mij gewoon bij je hebben. Ietsje harder rijden dan maar en hopen dat we net op tijd zijn. Onderweg, in Nieuw-Schoonebeek, zien we de resten van de schade die een windhoos een paar dagen terug heeft aan- gericht. Met zagen en grijpers wordt er hard gewerkt om alles te herstellen. Morgen is er niets meer van te zien. Bestaan hoos en schade alleen nog in de herinnering van wie er bij was. Tien minuten later. We zijn nog net aan de Duitse kant, op het laatste stukje voor de brug. Waar het gesprek over gaan zal, weten we nog niet. Wat willen we eigenlijk horen? Een persoonlijke belevenis of de band die iemand heeft met dit stukje grensstreek? Rika Szameitat heeft duidelijk nagedacht over wat ze wil vertellen. Wat ons met Nederland verbindt? “Dat zijn de Aa's, de olie, het gas en het ijzeroer.” Dat laatste is een afzetting in de grond die is ontstaan door oxidatie van het veen. “Twist ligt op een zandbult die recht uit het veen omhoog rijst. Maar op de plek waar we nu zitten, was geen veen. Dit waren weidegronden langs de Aa. Ze dienden ook als overstromingsgebied voor de Aa, want die trad regelmatig fors buiten haar oevers. Een grens zoals nu was er in die tijd niet, het was een soort niemandsland waar iedereen koeien liet grazen. Daar komt ook de naam Twist vandaan. Ooit zijn de Duitsers en de Neder- landers met hun kuddes elkaar tegengekomen en is het gebotst. Maar er is ook nog een andere verklaring voor de naam Twist. Vroeger had je hier een brandcultuur. Een stuk van het veen werd met greppels afgegrensd en daarna aangestoken. In de aslaag werd vervolgens vier tot vijf jaar lang boekweit verbouwd. Daarna was de grond uitgeput en werd een volgend stuk veen gebrand. Het is daarom ook mogelijk dat de Duitsers en de Nederlanders hier bij Twist ruzie kregen om de laatste meters veen. Ja, dit gebied ken ik behoorlijk goed. Je leert veel als je altijd goed je ogen open houdt!" "Deze brug hier? Die ligt hier nog maar een jaar of tien; ze is toen geplaatst omdat we bezig waren de met de Knapzakroute.” Op dat moment komen er twee dorpsgenoten over de brug gefietst. In dialect worden alle feiten en feitjes snel even doorgesproken. “Dit zijn twee kunstenaars, die hier een kunstwerk gaan maken”, zegt Rika. "Wordt dat ook weer zo’n roestig geval?” vraagt een van de fietsers lachend. We horen over een tweestrijd tussen Schoonebeek en Twist, “dat de Schoone- beekers niet wilden betalen voor een nieuwe kerk en dat ze daarom niet naar binnen mochten. Dus bouwden ze zelf ook een kerk, met een toren die natuurlijk wel hoger moest worden dan die van Twist. Een kerkhof is er toen ook gekomen. Dat ligt daar verderop in het land, aan de Nederlandse kant.” Andere onderwerpen van toen en nu worden aangestipt. Het is teveel om bij te houden, teveel om bij te schrijven, teveel om ooit een compleet beeld te kunnen geven van dit stille land. Am Arsch der Welt Donderdag 12 juni 2003 - 19.00 Met een dikke onweerslucht achter ons rijden we naar de brug. Het regent. Bellen of we misschien ergens anders moeten afspreken? In het Heimathaus? Maar Horst Heinrich Bechtluft neemt niet op en is vast en zeker al onderweg naar onze afspraak. We kijken naar de lucht en besluiten de stoelen en de tafel maar in de auto te laten. Hier blijven is vragen om een nat pak. Even later draait er een auto het pad op. Van ver is het NDR-logo al te zien. “Alles is werk en alles is ook hobby,” zegt Horst in een mix van Nederlands en Duits als we vragen of hij straks nog aan het werk moet. In dezelfde ademtocht stapt hij over op de omgeving en de geschiedenis van de streek. Snel en direct, alsof het gesprek onder de dreiging van regen en onweer binnen tien minuten afgerond moet zijn. “Laten we even gaan zitten, dan kan ik meeschrijven,” zeg ik. Nog voor we iets kunnen vragen, schuift hij een samenvatting over tafel. “Hier zijn een paar belang- rijke punten.” Ondertussen vertelt hij voluit over hoe de streek zich ontwikkeld heeft sinds de vroege Middeleeuwen. De jaartallen die belangrijk zijn voor dit gebied vliegen over tafel: 1556, 1784, 1824... “Deze rechte sloot is niet de Norder-Aa; die is verdwenen toen het Süd-Nord- kanaal gegraven is. Dit is zomaar een grenssloot. Vroeger waren hier geen strikte grenzen. De woorden Twist en Compascuum wijzen daar nog naar terug. Beide duiden ze een grensgebied aan dat van niemand was. Een officieel niemandsland. Dat gebied werd overigens wel gebruikt als weidegebied. Maar een exacte grens was er niet, daar waren alle betrokkenen het toen ook over eens.“ “Wat is nu eigenlijk het bijzondere aan deze streek. Het lijkt allemaal een beetje saai hier,” probeer ik een beetje provocerend. “Dat is precies wat er zo interessant aan is. Je moet niet zomaar wat rondkijken, maar wat je ziet moet je in de context van vroeger plaatsen. Stel je voor dat je hier zit, op een groene weide, midden in het hoogveen, midden in het niemandsland en je kijkt om je heen... ' en Horst maakt een breed armgebaar om de weidse omgeving en de ruimte in het landschap aan te geven. “Natuurlijk is hier wel van alles gebeurd. Het drielandenpunt tussen het bisdom Münster, het graafschap Bentheim en de provincie Drenthe, lag vroeger hier. Maar volgens mij vond niemand dat erg belangrijk. Het was een arm gebied 'am Arsch der Welt'; hier hield hier de wereld zo'n beetje op. In de Tweede Wereldoorlog trokken er vaak gevluchte Nederlandse dwang- arbeiders door dit gebied. De molen op de Twister bult was voor hen dan een oriëntatiepunt. Een van hen, Gerardus Sol, is hier op 23 maart 1941 op de vlucht doodgeschoten. Maar ik geloof dat dat aan de overkant van de straat was." Inmiddels begint het te druppelen. Als we omkijken, zien we een forse regenbui over het land aankomen. De kou zit al in de wind. Al pratend nemen we afscheid. “Maak er maar wat moois van”, zegt hij. “Kunstenaars moet je geen opdrachten geven, die moet je vrij laten werken”. Als we elkaar de hand schudden, zie ik zijn groene overhemd langzaam nat worden. Als je maar te eten hebt Maandag 16 juni 2003 - 16.00 De route wordt steeds bekender. Vanuit Schoonebeek langs de Wilmsboo naar Nieuw-Schoonbeek. Dan langs de oude kerktoren met beuken en linden en langs het oude kerkhof naar de grens. In Duitsland direct rechtsaf en direct na het meestal wat stille Twist-Bült rechts een landweggetje in. Voor misschien wel de twintigste keer staan we op de brug. 'Zouden er veel mensen zijn die hier meer dan vier, vijf uur hebben doorgebracht?' vragen we ons af. Waarschijnlijk alleen de boeren die hier land hebben en hier zaaien en oogsten of hier hun vee weiden. Met gele klompen aan, een wijde blauwe rok, een blauwe overallkleurige blouse en een blauwe boerenhoed brengt Riekie Schepers-Tholen een zweem van vroeger met zich mee. Ze praat snel en in korte zinnen en ze heeft een lange lijst van mensen en gebeurtenissen die ze per sé noemen wil. Om niet te vergeten, als dankbetuiging. “Je staat er nu niet meer bij stil, maar vroeger was het meer dan drie uur lopen voor je bij een dokter was. Lang niet iedereen had in die tijd een fiets. Het kostte je bijna een dag als je medicijnen moest hebben. Maar de dokter, de pastoor en de dominee werkten toen samen als een team. De pastoor nam op zijn tocht door de parochie vaak de medicijnen voor de mensen mee. En als iemand in het veen iets overkwam, dan was er geen ambulance. Een gewonde werd op een ladder gelegd en het veen uitgedragen. Mijn vader was postbode en als kind liep ik vaak met hem mee. Ik kwam zo overal en kende ook bijna iedereen. Nu pas heb ik me gerealiseerd hoeveel armoede er toen in de streek was. Als kind zie je dat niet. Als je maar te eten hebt, ben je dik tevreden. Ik weet nog heel goed dat ik graag wilde wonen in zo'n plaggenhut zoals je die toen op Weiteveen had. Daar woonde je met heel veel kinderen, volwassenen en beesten bij elkaar. Mij leek dat toen heel gezellig.” We drinken even iets. Vanaf de Duitse kant komt een fietser. Z'n witte korte broek en witte t-shirt weerkaatsen fel het zonlicht. Hij fietst snel uit beeld om direct daarna opnieuw voorbij te scheuren aan de andere kant van de lus in het fietspad. “Ik ging naar school in de oorlog,” zegt Riekie. “Het grootste deel van mijn schooltijd heb ik dan ook onder de banken doorgebracht. Nee hoor, dat dragen we elkaar hier niet na. De meeste mensen in de streek hebben familie aan beide kanten van de grens. Gesmokkeld werd er heel veel. Iedereen wist dat van elkaar, maar je had het er gewoon niet over. Zelf heb ik er niet veel van gemerkt. Een keer is me gevraagd om vijftig gulden bij de brug te leggen. Dat was denk ik voor koffie, maar er gingen soms ook wagens vol vee stiekem de grens over. Natuurlijk waren er grenscom- miezen, maar ze waren in de kost bij de boeren, dus die wisten precies wie er wanneer dienst had. Als jongvolk had je ook last van die commiezen. Als je naar een schuttersfeest ging moest je maken dat je op tijd weer de grens over was. Als je na tienen voor de slagboom stond, moest je wachten tot de volgende ochtend zes uur... of het wachthokje van de commies uitsoppen. Ze hadden de emmers met sop vaak al klaar staan.” De zon is nog lekker warm en de hitte trilt boven de jonge maisplanten. Er fladdert een vlinder langs, wat vogels vliegen op als de trekker van de boer over het pad rijdt. Verder is het stil en loom hier. “Ik zou wel tweehonderd jaar oud willen worden,” zegt Riekie, “en de tijd willen hebben om te zien hoe het landschap verandert.” Ik blijf gewoon hier 19 juni 2003 - 19.30 Jos trouwt vandaag met Chantal. Op een grote boerderij vlak voor het dorp zijn lakens gespannen met teksten als 'Jos is de klos' en 'Waar Chantal komt is vuur'. Het is er nog stil, het feest moet zo te zien nog beginnen. Wij rijden het dorp door richting grens. “Op de foto? Nee, laten we dat maar niet doen. Mijn naam hoeft er ook niet bij, ik hoef niet zo nodig in de krant.” We vinden het prima om het gesprek een beetje anoniem te houden. Het past bij de Drentse aard om bescheiden te zijn en niet vooraan te willen staan. Uit het raam van de woonkamer kijken we uit over groene landerijen. Net als overal in deze streek ligt Duitsland op een steenworp afstand. Achter het huis begon vroeger direct het veengebied. “Wij verstopten ons daar als kwajongens wel. Je had daar allemaal bovenveen en je kon daar heel gemakkelijk een hol maken. Nee, daar kon niemand je vinden. In de oorlog zaten daar onderduikers verstopt als er een razzia was in het dorp. Daar was je veilig, want de soldaten waagden zich niet in het veengebied. Toen hadden we nog een gemengd bedrijf. In die tijd had je aan twaalf koeien genoeg om met een gezin en een paar knechten van te leven. Een koe gaf toen misschien twintig liter melk. Tegenwoordig heeft een boer toch wel zeventig koeien nodig en dan moet je bedenken dat een koe inmiddels meer dan vijftig liter melk geeft. Zo'n koe van vroeger, die zouden ze nu direct wegdoen. Het boerenbestaan is wel eentoniger geworden. Vroeger verbouwde iedere boer zelf ook het graan, de groente en de aardappels die je nodig had voor het vee en voor de eigen mensen en de knechten. Die knechten verdienden niet veel, hoor. Je had toen heel veel grote gezinnen met soms wel twaalf of veertien kinderen. De ouders waren allang blij dat ze een paar mee-eters minder hadden. Dus die jongens kregen kost en inwoning en zo nu en dan een nieuw stel kleren en een beetje handgeld. Maar dat was het dan wel. Vijftig jaar is dat nog maar geleden. Je had toen ook nog patrijzen en fazanten en hazen. Die patrijzen verstopten zich 's winters onder de korenmijten. Als er dan gedorst werd, deed je wat graankorrels onder in een glazen weckfles; die patrijzen doken er dan op de kop in en kwamen er nooit meer uit. Wat je ermee deed? Opeten natuurlijk of verkopen.” Een eindje verderop is een boer bezig mest uit te rijden. Koemest. De zware, zoetige geur trekt door het open raam de woonkamer binnen en mengt zich met de geur van verse koffie. De klok op de schoorsteenmantel slaat acht uur. “Ons land was negentig meter breed, maar het liep wel een paar kilometer door tot aan Weiteveen. Je had ook land op de halve maat, dat was dan opgedeeld en je had ook dubbele breedtes. Het waren allemaal hele diepe stukken grond, die later zijn verkaveld. Achter hebben we vruchtbare grond, dat is bovenveen met een laagje zand erdoor. Dat wordt niet drassig maar houdt wel goed water vast. Daarginds bij het Schoonebeekerdiep ligt oer met erts. Die werd vroeger gewonnen; er werd ijzer van gemaakt. Hoe dik die laag was hing ervan af waar precies de zandkoppen zaten, maar hier en daar was het wel anderhalve meter dik. Je kunt dat roodachtige erts er nog steeds wel vinden. Hier vlak voor ligt dal, afgegraven hoogveen met zand erdoor, dat is ook goede grond. Of ik hier ooit nog wegga? Ik heb hier altijd gewoond, dus dat kun je wel begrijpen. Nee hoor, ik ga nooit meer verhuizen, ik blijf gewoon hier.” Tekst: Saskia Boelsums en Peter Veen. Alle rechten voorbehouden. « [ T e r u g ] |